Stappenplan | Beraadslaging en deliberatieve mini-publics
Participatieniveaus
Raadpleging | Co-constructie
Graden van betrokkenheid
Collectief advies opbouwen
Deelnameacties
Burgerpanel en burgervergadering
Democratische waarden
Beraadslaging | Inclusie | Vermogen om politieke beslissingen te beïnvloeden | Vervolgplicht
Deliberatieve mini-publics zijn vergaderingen van burgers, die meestal worden geselecteerd door loting, en die beraadslagen over een sociale en politieke kwestie. Deze participatietrajecten leggen de nadruk op de diversiteit van de groep en de kwaliteit van de dialoog, om onderbouwde aanbevelingen te formuleren.
De aanbevelingen worden samengebracht in een verslag dat wordt voorgelegd aan de organiserende overheid, ter ondersteuning van haar besluitvorming en als leidraad voor het beleid.
In dat verslag wordt doorgaans per aanbeveling aangegeven of er consensus over bestaat en, indien van toepassing, welke minderheidsstandpunten leven.
Het wordt ook vaak doorgegeven aan andere instellingen die bevoegd zijn voor bepaalde aspecten.
De regelingen voor het geven van onderbouwde feedback en de opvolging van de aanbevelingen, verschillen per context, dus is het belangrijk om deze op voorhand duidelijk vast te leggen.
Bij de organisatie van een burgervergadering is het essentieel om een bestuursstructuur op te zetten die instaat voor de naleving van de regels en de verdeling van de taken en verantwoordelijkheden.
Hoewel de organiserende overheid veel taken op zich kan nemen, maar er moet ook een kader zijn voor onafhankelijke controle. Die controle kan worden uitgeoefend door een comité, dat verschillende namen kan dragen: "ondersteuningscomité", "stuurcomité", "waarborgcomité", enz.
Naast het opstellen van de interne regels, kunnen deze bestuursleden ook toezien op de informatie en de expertise die aan de deelnemers van de burgervergadering worden verstrekt.
Om effectief invloed te hebben op het gevoerde beleid moeten de deliberatieve mini-publics geïntegreerd zijn in het besluitvormingsproces en in de politieke en administratieve structuren. Dat vraagt een investering van de administratie, inclusief bewustwording van het belang van burgerinspraak, zodat aanbevelingen effectief meegewogen kunnen worden.
Door de administratie al vroeg te betrekken bij het ontwerpen van het proces en het kaderen van de thema’s, vergroot de kans dat aanbevelingen goed worden ontvangen en verwerkt. Ambtenaren spelen bovendien een sleutelrol als aanspreekpunt voor deelnemers en kunnen hun technische expertise inzetten. Hun rol kan variëren afhankelijk van hun betrokkenheid: het opstellen van notulen, het analyseren van aanbevelingen, opvolging verzorgen, de leden ondersteunen, de inhoud toelichten in begrijpelijke taal, technische ondersteuning bieden, enz.
De functie van deliberatieve mini-publics moet duidelijk bepaald worden door de verantwoordelijken. Het proces moet haalbaar zijn en rekening houden met de beschikbare middelen en de bestaande beperkingen, zoals materiële, tijdsgebonden en politieke factoren. Dit voorbereidende werk omvat alle fasen van de scoping (zie themafiche), van de wervingsmethoden van de deelnemers tot de integratie van de resultaten in de politieke besluitvorming en het beleid.
Een cruciale stap is het opstellen van een duidelijk stappenplan, waarin niet alleen de voorwaarden voor het debat worden vastgelegd, maar ook de respectieve rollen en verantwoordelijkheden, benodigde middelen en een tijdschema. Even belangrijk is het om van meet af aan na te denken over het mandaat van de gelote burgers. Idealiter worden deze ontwerpprincipes al gedeeld op het moment van de uitnodiging tot deelname.
Er moet voldoende middelen, tijd en budget worden vrijgemaakt, vooral om te zorgen voor een diverse en inclusieve selectie van burgers mogelijk te maken én om opvolging en evaluatie te garanderen. Er moet ook vooraf worden nagedacht over de communicatie en informatievoorziening rond het traject, zodat het overlegproces verbonden blijft met het publieke debat.
De kosten van een deliberatief mini-public variëren sterk per project. Belangrijke factoren bij het opstellen van het budget zijn het aantal dagen dat het proces in beslag neemt en het aantal betrokken burgers. Soms kunnen interne middelen worden ingezet voor bepaalde leveringen en diensten, maar vaak zijn externe dienstverleners nodig, wat het budget aanzienlijk kan verhogen.
Er zijn vijf grote kostenposten:
De OESO-databank geeft als richtlijn een gemiddelde kostprijs van 200.000 euro aan, berekend op basis van de 70 Europese gevallen (2023). De mediaan ligt rond de 50.000 euro, met een breed bereik: van 5.000 euro voor een lokaal initiatief begin 2010 tot 5.000.000 euro voor de Franse Klimaatconventie van 2020. Dat voorbeeld is een extreme uitzondering. Andere nationale projecten (zoals in Ierland of Duitsland) blijven tussen de 1 tot 2 miljoen euro.
Twee voorbeelden uit het Brussels Gewest:
Het is belangrijk om de opzet en de werking van het overlegproces duidelijk en tijdig te communiceren, zodat het brede publiek begrijpt wat het proces inhoud, welk doel het dient en welke impact wordt nagestreeft. Om dit te bereiken kan het de moeite waard zijn een communicatieplan te ontwikkelen om het werk van de vergadering meer onder de aandacht te brengen.
De keuze van het juiste onderwerp of de juiste vraag is cruciaal. De bevoegdheden van de organiserende instelling vormen een bepalend kader voor die keuze. De vraag moet zo geformuleerd zijn dat ze een vraag van algemeen belang wordt.
Of de vergadering al dan niet permanent is (of ze dus al dan niet elk jaar wordt verlengd), bepaalt de mogelijkheid om een of meer opeenvolgende thema's te exploreren.
Het is belangrijk om na te denken over de manier waarop de resultaten zullen worden geïntegreerd in het publieke besluitvormingsproces. Het tijdschema van de deliberatieve mini-publics moet afgestemd zijn op de betrokken beleidscyclus en de verantwoordelijkheden en deadlines voor de opvolging moeten worden vastgesteld vóór het begin van het proces.
Het is bijvoorbeeld mogelijk om te bepalen of de resultaten van de participatie door politici zullen worden besproken, gevolgd door een schriftelijke reactie waarin de aanvaarding, afwijzing of wijziging van de aanbevelingen wordt toegelicht.
Het is ook mogelijk om aanbevelingen die een bepaalde ondersteuningsdrempel halen, een vooraf gedefinieerde status te geven. Bij unanimiteit of een gekwalificeerde meerderheid kan het politieke orgaan in kwestie zichzelf bijvoorbeeld verplichten om maatregelen te nemen of om een volksraadpleging te organiseren (d.w.z. stemming, referendum).
Dergelijke afspraken versterken de legitimiteit van het proces, omdat ze verder gaan dan een loutere “agendering” zonder uitleg.
Om een breed en divers publiek te bereiken, moet prioriteit worden gegeven aan een mix van wervings- en sensibiliseringsstrategieën. Als er in de literatuur sprake is van "deliberatieve mini-publics", dan impliceert dit dat het wervingsproces een loting omvat, maar ook andere wervingsmethodes zijn denkbaar.
Om participatie rechtvaardiger te maken, kunnen vergoedingen, terugbetaling van onkosten en ondersteuning, zoals kinderopvang, zorg voor afhankelijke personen en toegankelijkheidsaanpassingen voor personen met een handicap, voorzien worden.
Om de deelnemers in staat te stellen duidelijke aanbevelingen te formuleren, is het belangrijk om hen te voorzien van transparante, diverse en evenwichtige informatie over het onderwerp van debat. De ervaring leert dat het nuttig is om een infopakket te verstrekken voordat het proces begint. Het is een essentieel hulpmiddel om ervoor te zorgen dat de deelnemers goed geïnformeerd en voorbereid zijn op het beraadslagingsproces. Het bevat samenvattende documenten over de kwesties of onderwerpen die tijdens de vergadering worden besproken. Dit kunnen verslagen, onderzoeksresultaten, oriënteringsnota's of andere relevante documenten zijn om de deelnemers van context en essentiële informatie te voorzien.
Het infopakket bevat vaak ook preciseringen over de manier waarop de vergadering zal worden geleid, evenals praktische informatie, en een Q&A op een website.
Goede begeleiding, zowel in plenaire sessies als in kleine groepjes, is cruciaal voor het succes van de beraadslaging. De uitdaging is om verschillende groepen doeltreffend te laten samenwerken, waarbij iedereen op een evenwichtige manier wordt betrokken. Zo kan de facilitatie helpen om gemeenschappelijke ideeën zichtbaar te maken en ieders kennis en ervaring optimaal te benutten.
De begeleiders vervullen ook de rol van betrouwbare derde partij. Ze zorgen ervoor dat het debat niet wordt gedomineerd door één deel van de groep. Dat betekent: een evenwichtige verdeling van de spreektijd, respect voor omgangsregels, luisteren naar argumenten, enz. Faciliteren houdt ook in dat men zich bewust is van de machtsverschillen binnen een groep en actief probeert die te verminderen. De begeleiders moeten deze ongelijkheden durven benoemen wanneer ze zich voordoen.
Het komt vaak voor dat de leden van de burgervergadering een deliberatiecharter ondertekenen waarin ze zich verbinden om het afgesproken kader, de personen en hun meningen te respecteren. De regels die op de eerste dag worden gepresenteerd, leggen het belang uit van luisteren, welwillendheid en een evenwichtige spreiding van het woord tijdens de debatten.
Aan het begin van de sessie is het belangrijk dat de deelnemers meer te weten komen over het onderwerp in kwestie. Deze leerfase moet actief zijn: deelnemers worden aangemoedigd om kritisch na te denken over de informatie die ze krijgen en moeten de mogelijkheid hebben om vragen te stellen of zelfs de uitspraken van de deskundigen ter discussie te stellen. De leerfase zou een constructief groepsmoment moeten zijn, gebaseerd op wat de deelnemers denken te moeten vernemen om het onderwerp goed te kunnen behandelen en relevante aanbevelingen te kunnen doen.
Naast de initiële afbakening van het onderwerp moet de selectie van deskundigen openstaan voor de behoeften die door de deelnemers worden geuit. Als de tijd en de organisatie het toelaten, moeten de deelnemers kunnen bijdragen aan het selectieproces van deskundigen in samenwerking met het stuurcomité. Een alternatieve optie is om toe te staan dat er aanvullende profielen worden gesuggereerd, met feedback van het organiserende team over de gelegde contacten.
Hoewel presentaties door deskundigen ter zake, gevolgd door een vragenuurtje, de meest gebruikelijke methode vormen om leerinhoud over te brengen tijdens deliberatieve mini-publics, kan het zinvol zijn om andere methodes te gebruiken. Zo kunnen deelnemers bijvoorbeeld op locatiebezoek gaan met betrokken of experts.
In andere gevallen kunnen videoboodschappen van direct betrokkenen of verhalende scenario's helpen om de gevolgen van hun voorstellen concreet voor te stellen. Openstaan voor andere leermethoden leidt doorgaans tot een beter begrip van de thema’s.
De groep moet de kans rustig om rustig te beraadslagen en alle belangrijke standpunten te overwegen. De groep moet in staat zijn om tot overeenstemming te komen over de verschillende subthema’s, ideeën en voorstellen vóór elke mogelijke stemronde.
Daarnaast moet er ruimte zijn om te luisteren naar minderheidsstemmen. Die moeten niet alleen in de gesprekken zelf een plaats krijgen, maar ook in het uiteindelijke verslag als dat advies wordt meegegeven.
Het slot van een deliberatief mini-public is een sleutelmoment: de consensus die is bereikt, wordt er gedeeld. Soms is het moeilijk om tot een gezamenlijke conclusie te komen. In dat geval kan worden overgestapt van een deliberatieve aanpak naar een aggregatieve aanpak (met andere woorden: stemmen).
In veel van de mini-publics die vandaag worden georganiseerd, wordt gestemd met een gewone of gekwalificeerde meerderheid om duidelijk te maken in welke mate er overeenstemming bestaat over de voorstellen.
Niet alleen academische of technische experts zijn waardevol in een beraadslaging. Ook belanghebbenden en mensen met directe ervaring met het besproken vraagstuk moeten gehoord worden. Dit verbetert de beraadslaging zelf, vergroot de legitimiteit van het proces en verhoogt de kans dat de resultaten nadien ook daadwerkelijk worden opgevolgd.
Daarnaast kan het brede publiek betrokken worden. Denk maar aan een online platform waar burgers die niet geloot zijn, of belanghebbenden die niet rechtstreeks aanwezig waren, toch hun mening kunnen geven. Het is zelfs mogelijk om hen in bepaalde fasen bij de beraadslaging te betrekken. Ze kunnen bijvoorbeeld suggesties doen voor experts of subthema's die aan bod moeten komen.
Om te vermijden dat een burgervergadering als een "besloten" orgaan wordt gezien, is transparantie cruciaal. Dit kan onder meer door agenda’s, video's of presentaties van experts en de notulen publiek te delen. Infoworkshops tijdens het hele traject zijn daarbij een interessante aanvulling.
Transparantie moet altijd in balans blijven met de bescherming van de privacy van de deelnemers. In de praktijk kunnen presentaties van deskundigen worden uitgezonden en heruitgezonden, maar de discussies van de leden van de vergadering blijven vertrouwelijk. Bovendien moeten de deelnemers er altijd aan herinnerd worden dat ze alleen hun voornaam mogen geven en niet hun achternaam (bijvoorbeeld tijdens online zittingen of uitwisselingen met journalisten).
Alle burgers moeten toegang hebben tot het verslag over het proces en de resultaten ervan. Er kan gebruik worden gemaakt van een specifieke website om verslag uit te brengen en te communiceren over de opvolging: welke maatregelen zijn genomen, welke aanbevelingen zijn aanvaard en welke niet?
Idealiter wordt een duidelijke en schriftelijke rechtvaardiging gegeven op elke aanbeveling van de burgers. Zes tot twaalf maanden na de publicatie van het verslag kan er opnieuw een bijeenkomst worden georganiseerd, zodat de vergadering de acties van de overheid kan onderzoeken. Het is ook mogelijk om de burgers formeel te betrekken bij de opvolgingsfase door middel van een opvolgingscomité dat bestaat uit willekeurig gekozen leden van de vergadering.
Er worden idealiter enkele bijeenkomsten gepland tussen de overheidsinstantie en de deelnemers in de periode na ontvangst van de aanbevelingen. Deze contactmomenten bieden ruimte om in dialoog te gaan, informatie uit te wisselen en het vertrouwen in het proces te versterken.
In sommige processen worden de aanbevelingen niet alleen aan de bevoegde overheid gepresenteerd, maar ook aan belanghebbenden en het bredere publiek. Het maatschappelijk middenveld kan bovendien betrokken worden bij het evalueren van de manier waarop de overheid de adviezen heeft opgevolgd.
De meest betrouwbare manier om een beraadslaging te beoordelen, is een onafhankelijke evaluatie. Voor kleinere en kortere trajecten wordt zelfrapportage door deelnemers en organisatoren aanbevolen door de OESO. Dat helpt niet alleen om lessen te trekken, maar versterkt ook de leerervaring van alle betrokkenen.